‘We kunnen in Nederland wel wat meer lef gebruiken’

Vandaag gaan ruim vijftig auto’s de A2 op die in staat zijn grotendeels zichzelf te besturen. Een succesvolle proef zou een belangrijke stap zijn voor de Nederlandse veiligheidsinnovatie. Toch behoort ons land toch niet tot de kopgroep van innovatielanden. ‘Ons huidige politieke systeem biedt te weinig ruimte voor risico’, stelt Wim van Rooijen, trendverkenner en innovatieversneller bij Fountainheads.

Het gaat de laatste jaren toch weer steeds beter met Nederland?

‘De economie herstelt zich wel van de crisis, maar de arbeidsmarkt groeit niet op gelijke voet mee. Op nationaal niveau zie je tegenwoordig dat economische groei op de middellange termijn niet ook automatisch meer banen oplevert. Economen spreken tegenwoordig dan ook steeds vaker van een jobless economic growth. Dat komt omdat de economie constant verandert, maar onze maatschappij beweegt niet altijd snel genoeg mee.’

De veranderende economie leidt in dit geval, mede door innovatie, zelfs tot banenverlies. Veel beroepsgroepen voelen het effect van robotisering en moeten vrezen voor hun baan. Waar ligt voor hen de toekomst?

‘We bewegen toe naar wat ook wel de next economy wordt genoemd. Ontwikkelingen op het gebied van digitalisering en internet zijn tegenwoordig vrijwel allesbepalend. Computers waren in de vorige eeuw feitelijk nog vrij domme dingen. Tegenwoordig werken we met hoogontwikkelde chips, die ruimte bieden aan het verwerken van Big Data en slimme algoritmes. Dat biedt zo veel meer mogelijkheden. Op de korte termijn betekent dat inderdaad dat verdere mechanisatie en robotisering heel veel banen gaan kosten, dat is nu eenmaal een realiteit waar je niet aan ontkomt. Dat betekent dat je oplossingen moet gaan bedenken die ook voor de middellange termijn houdbaar zijn.’

Aan welke oplossingen denkt u dan?

‘Een mogelijkheid zou kunnen zijn om een keer kritisch te kijken naar de huidige werkverdeling. We zijn ooit van een zesdaagse naar een vijfdaagse werkweek gegaan, het kan een oplossing zijn om in de toekomst terug te gaan naar vier. Een aanzienlijk deel van de werkgevers zal in eerste instantie op de achterste poten staan, want die krijgen dan meer personeel in dienst, maar naar zo’n oplossing moeten we durven kijken. Ook moeten we af van het beeld dat werk en inkomen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In de toekomst zullen ze moeten worden losgekoppeld. Sommige vormen van werk betalen nu eenmaal steeds minder, of worden vrijwillig gedaan, terwijl ze niet minder belangrijk zijn geworden binnen onze maatschappij. Er zullen dus nog altijd mensen nodig zijn om dat werk te verrichten. Die arbeidskrachten moet je dan op een andere manier gaan belonen. Een basisinkomen is dan opeens helemaal niet zo’n gek idee. Eventueel is zelfs een hybride vorm van zowel basisinkomen als een andere werkverdeling misschien wel het meest toekomstbestendig.’

Werkgevers in Nederland moeten dus meegroeien met de economie, maar faciliteren bestuurders en wetgevers in ons land ook voldoende innovatie?

‘Het is nu eenmaal zo dat op het gebied van innovatie bestuurders vaak achter de stoet aanlopen. Ze worden afgeschilderd als het anker achter de boot. Deze kritiek is maar deels terecht. Ondernemers en bedrijven hebben over het algemeen meer speelruimte om te innoveren, ook als een bedrijf hiermee risico loopt. Overheden worden juist afgerekend op risico’s en bouwen om dat te voorkomen zekerheden in. Die zekerheden staan ruimte om te innoveren vervolgens weer in de weg. Nederlandse bedrijven zouden baat hebben bij regelvrije zones, waarin geëxperimenteerd kan worden. Je hebt immers de theorie, van wat kan werken, maar je hebt ook de praktijk nodig om nieuwe ideeën uit te kunnen testen. In die ruimtes gaan er dan ook weleens dingen mis, maar dat risico is onlosmakelijk verbonden aan innovatie. Zie grote bedrijven en organisaties als olietankers, die er enorm lang over doen om te draaien wanneer ze de verkeerde route varen. Zulke bedrijven hebben beweeglijke speedbootjes nodig die de boel kunnen verkennen, zodat ze bij koersverandering van tevoren preciezer weten in welke richting ze varen. Die speedbootjes zijn de bedrijven die in zulke vrije zones opereren en dus veel flexibeler en innovatiever zijn. Vanuit de politiek zou er tegelijkertijd vaker best wat helderder naar de burger gecommuniceerd mogen worden. We hebben behoefte aan een bestuurder die eerlijk durft aan te geven: ‘We gaan dit proberen, er is een risico aan verbonden, maar er is een goede kans dat het wat oplevert.’ Daar is in het huidige politieke systeem te weinig ruimte voor. Politici zijn grotendeels afhankelijk van herverkiezing en de Nederlandse burger straft ze vaak genadeloos hard af op hun fouten. We zijn als burger dus ook zeker zelf verantwoordelijk.’

Deze beperkingen aan het sociaal-economische stelsel zijn niet uniek voor Nederland. Kunnen wij ons ondanks deze beperkingen nog wel meten met de wereldtop?

‘Internationaal gezien staat we er heel gemengd op. Er is een aantal zaken die we heel goed doen in Nederland. Op het gebied van bijvoorbeeld weg- en waterbouw, voedingsmiddelen, in de agrarische sector en op logistiek vlak. Allemaal sectoren waarin we heel innovatief bezig zijn en echt vooroplopen in de wereld. Aan de andere kant, in een belangrijke sector als energie doen we het slecht, heel slecht. Misschien ligt dat aan de sterke lobby van grote fossiele bedrijven in deze sector. In de Europese lijstjes op het gebied van duurzame productie van energie bungelt Nederland steevast ergens onderaan.’

Wat moet er volgens u in ons denken veranderen?

‘Nederland moet in ieder geval meer openstaan voor nieuwe ideeën, op alle niveaus van de samenleving. Een voorbeeld is bijvoorbeeld de zelfrijdende auto van Google. Tot nu toe komt die vooral in het nieuws wanneer er een testmodel bij een ongeluk betrokken is. In die nieuwsberichten wordt zelden genoemd dat de auto op zo’n moment al ruim een miljoen kilometer heeft gereden, waarin er welgeteld tien ongelukken zijn gebeurd. De doorsnee autobestuurder haalt zo’n gemiddelde bij lange na niet. Bovendien was ervan dat ongeluk maar ééntje waarbij de fout daadwerkelijk bij de auto lag, de rest lag bij de andere, menselijke bestuurders. In Amerika zie je dat verschil in denken mooi terug, met de staat Californië die het aandurft om een vrij zone in te stellen waarin autonome auto’s getest mogen worden. Daar rijden Google auto’s nu al een tijd op de openbare weg en worden er enorme sprongen gemaakt. Om innovatief te zijn, is zo’n houding nodig. Op dat vlak kan Nederland wel wat meer lef gebruiken.’